vrije woorden (1982)

Woorden reeds verknoopt tot dicht,
Zinnen tot vers gehecht en vederlicht.
Ze kennen hun plaats als lichtgewicht.

Ten onder gegaan in bundel en boek,
Gekneveld in een kelderhoek,
Opgesmukt in rapport en nota,
gevierd als tittel en als jota.

Dat kan het oord niet zijn.
Dat kan de plaats niet wezen.
Taal als een mol dronken van wijn
Die het daglicht steeds moet vrezen.

Neen, laat de tekst eens striemen,
Vergeet de dichterlijke riemen.
Laat woorden knallen, laat ze grommen,
Geef zinnen vleugels, met eronder bommen.