sprookbeelden

het sprookte door mijn hoofd, arm ding –
de illusies, fantasieën, wanen en andere onzin.
ik trof er in een ver verleden gestalde schijn,
ik trof er liefdes van één dag of nacht,
maar óók de zekerheden die niet wankel zijn
maar vol zijn van venijn –

want het enige dat niet wankelt is het weten,
de rest is de slordigheid van het vergeten.
en de opwinding van geloof, hoop en liefde,
van verlangen, van smoesjes en lawaai,
cumulatief cumulerend als het ware
in een feestelijke vakantie van het brein –