ternauwernood

neen, er valt niet langer te spotten met de dood
zoals hij mijn poort forceerde, mijn erf betrad
en met koele spade omwoelde wat daar groeide
ach, mijn arme gras, mijn weke paddestoelen
wee, de stammen van mijn bomen, ach, blad
vertrapt en losgewoeld als door wilde zwijnen
lag ik daar weerloos natuur te zijn, zonder schijn
van verlangens en behoeften, zonder ophef
raadselloos op mijzelf teruggeworpen, verlaagd
tot een doelloos gemiddelde dat verstoft
gekweld tussen pijn en dorst, bezig prooi te zijn
niet eens bij machte stekels op te zetten, te misleiden
ten gronde met mijn gras en waar mijn bomen stonden

het was de tuinman
die aarde, mest en water liet vervangen
de stethoscoop losjes om de hals gehangen