laat mij maar in een roes bestaan

laat mij maar in een roes bestaan
waar ik het rijk van ken
de schuchtere dieren
behalve dan de dampende paarden
en de kakelbonte haan
de paars fluwelen vegetatie
de gebouwen die ik in bezit genomen heb
zo oud dat het riet zich uit de kalken zoldering perst
met vloerhout dat bij de zachtste tred
als molm verdwarrelt
om van het huis der houtworm
de woning van de pissebed te vormen
het pannendek zo lek
maar alles zo ankervast zo trots en groots

en tussen deze averij van eeuwen
vind ik mijn weg langs
roestige spijkers en verweerde panelen
hier parelen de juwelen
ja, de marmeren veel te brede opstap
naar een ongeschonden verleden
is nog in goede staat en voert
naar galerijen waar eindeloze rijen
deuren kamers verhullen van mensen
die hier wie weet gelukkig waren
maar reeds lang en breed
met achterlating van hun hebben en hun houden
met een of andere noorderzon
al vele tijden terug vertrokken zijn
ik heb mij als beheerder opgeworpen
en hoed al dit goed en verkneukel mij
als ik zo'n krakende bejaarde deur heb omgepraat
het stof erachter betreed en mij weet
in een zeer voorwerpelijk decor van kwetsbaarheden
waar iedere hebzucht tot een drama leidt
ik beroer slechts met mijn ogen
hooguit stop ik mijn geurzin ergens in
en het enige dat mij deinzen doet
is dat ik steeds niet weet
welke IK hier rondwaart
of ik aan het einde sta of pas aan het begin

waarschijnlijk in een middeltijd
want er zijn zoveel deuren die mij wachten
dat ik wel vermoeden mag dat ik nog vrij
wat leven kan in deze schone roes
waar kikkers schromelijk kwaken, van ver, dat wel
en uit een raam het paars fluweel omneveld wordt