een gelukkige jeugd

als enig kind van een ouderpaar
- opgegroeid tussen twee vuren -
uitgeblust, slechts vurend naar elkaar
verpoosde ik mijn uren

niet dat ik van twee wallen at
- de wallen aten mij -
ik was het medium water dat
steeds schreeuwde 'ga opzij'

het eren van je ouders
- dat hypocriet gebod -
deed ik af met mijn schouders
ik was mijn eigen god

de onmacht van twee mensen
tot liefde of harmonie
deed mij slechts één ding wensen:
wordt nooit hun evenknie

zo saai, inert en onvertogen
- asgrauw als mooiste kleur -
hebben ze zelfs nooit overwogen
zich te ontworstelen aan hun sleur

mocht ik als kind hier tussen staan
mocht ik hun onmacht slechten
ik was bemiddelaar - als baan
en leerde zeer jong vechten 

mijn moeder zei al stervend
'let op pa', toen ik me over haar boog
maar ze had mij zoveel aangedaan
dat ik slechts knikte en daarmee loog

wanneer dan ook mijn vader sterft
- in coma zoals hij bij leve was -
dan is er de angst dat iets wordt geërfd
een houding, een blik, een pas
 
de dood van de één ontlastte mij
die van de ander liet mij koud
van beiden was ik immers al vrij
of spreek ik nu te boud?

doordat het afscheid in het verleden viel
- fysiek slechts onvoltrokken -
maakt het verlies van ook dit laatste wiel
mij nog meer onverschrokken

wat blijvend mij slechts pijn'gen zal
- geworden de wees die ik reeds was -
is dat ik voortkom uit hun mal
en in hun in klei getrokken voren pas.