de strijden ongestreden

mijn teer gestel wist altijd wel
kleed je vooral niet voor je vrienden
het zullen nooit kameraden zijn
dus kleed je maar naar het weersgestel
& trek aan die vodden om je lenden.
 
in deze barre streken waar de kilte in de knokels gaat
& noeste arbeid het zonlicht moet vervangen
daar weerstreeft de aarde het groeien van kameraadschap,
van verzet, ja, van de kleinste barricade.
 
alleen in het binnenste van huizen verwarmt de CV de gemoederen
(ja men kan daar aardig gewelddadig zijn).

de strijd, die vriendschap hecht
heeft hier onder een bruin wolkendek
niet kunnen gedijen
& de veelspalt transformeert haar
fragmenteert haar
tot een echtelijke ruzie
een burenruzie of
tot matten in de kroeg
tot een ondermaats gevecht van allen tegen allen. 

neen, het zijn moeilijke gesteldheden
& de kwaaie geuren dampen
waaraan door profiteurs van alle maten
een odeur, een kleur, een prijs is toegevoegd
die de miserabelen doen verzuchten dat
dit is wat het ooit kon zijn.
 
de kameraden die zich met die naam slechts tooien
en zich al schamen met een klein belang geassocieerd te zijn
gaan bij het rood van een zonsondergang
- mocht de stad hen dit dagelijks wonder schenken -
geheel over de rooien
gelijk stiertjes die men het gevecht ontleert
& slechts gracieus leert sterven.
 
geen wonder
geen wonder
dat grote eenzaamheid mij treft
& ik mij kleed voor een strijd
die blijkbaar onvolgroeid
mijn werelden doet wonderen.