Divers rijp èn groen

een heimwee

Mild op de tong
als het ware
spraken wij nog
van vroeger
die zo kort geleden toekomst
die onbegrepen herkomst
dat eeuwige nu toch
als het ware
met dubbele tong.

En ‘s winters sloegen we een sjaal om
zomers verborgen we ons achter de zon
maar meestal gingen we
een naakte toekomst in
verblind en zonder vreze.

We stonken waaruit ‘t stinken kon
we geurden hemelsbreed
en toch ogenblikten we - soms -
te worden ingehaald
vergeten voor ‘t goed en wel begon.

Dan scheurden we ons open
maakten wonden aan de opperhuid
verbaasden ons over ‘t geluid
dat onze tongen maakten.

We waren niet dom, maar eeuwig jong
en keken met eigen ogen
die gebleekte wereld in
zó vaal - om onze kleuren schreeuwend
zó kaal - als aangekleed kan zijn.

En dan was er ineens het heden -
klaar, om nog slechts afgestoft te worden.