de nacht

de nacht, dat zware zwarte doek met gaatjes
waardoor de zon slechts sterren schijnt
en uit een scheur de maan komt en verdwijnt
de nacht, zo onherbergzaam, heeft vele maatjes

al die het felle licht der zon niet verdragen
de ondergrondse wezentjes gekropen uit hun ramen
de dief of juist mijn lief en ik zo samen
scheppen in de kluisters van de nacht behagen

wij zien slechts wat de hand reeds heeft verkend
alleen onraad is van ver te ruiken of te horen
en het zal ons, minnaars van de nacht, niet storen
hoe precies het gesternte is van het firmament