machteloos verval

de afgebladderde verf omlijst ruiten uit spinrag
die zachtjes vibreren in de zuchtende wind
oud en geheimzinnig houden de deuren
hun sloten en scharnieren in een roestgreep
alle ijzer is glanzend bruin, alle koper dofgroen
en er groeit mos aan de afkruimelende muren
waar zelfomhelzende klimop de voegen vult
het inleidende grindpad is een bloemenzee
een treeloze trap entert de kierende voordeur
bewaakt slechts door een ontstemd carillon

hier heerst het verleden met kloeke hand
onaangedaan door de grillen van behoudzucht
hier is wat was wat het geworden is
eenvoudig zichzelf in het verval der jaren

er is weemoed om de lippen van de waarnemer
hij herinnert zich de gaafheid en de luister
het eenvoudige hout, de nieuwe perspectieven
de wil te bouwen zoals nog nooit gebouwd was
met het vermoeden al, dat tegenstreefse krachten
het jonge elan in tolerantie konden smoren
ja, mompelt hij, er was een tijd van idealen ...

dan treedt hij binnen in een douche van gruis
in het versleten decor van een eens geleefd leven.
kan iets zonder moedwil zó sterven?
retorisch vraagt hij het de wanden en vloeren,
de gesprongen tegels en de manke huisraad
maar zij volharden in hun rol van stille getuige
ook een wespennest zoemt slechts zijn onmacht
en de ratten schieten voor de vraag op de vlucht
zij hebben geen deel aan het menselijk streven

de waarnemer laat zich neer aan het venster
hij zoekt de antwoorden buiten deze bouwval
en daar liggen ze niet ver weg al te blinken
de blijken van overvloed, de bouwsels van macht
gebouwd voor de eeuwigheid der sterfelijken
priemend in waar de hemel zo figuurlijk wordt
ja, mompelt hij, afscheid nemen is afstand doen ...

buiten heeft de lucht zich grijs bepakt en bezakt
er is geen ontkomen aan een onweer vol schichten
het lijkt alsof het weer vrij en rechtvaardig is
maar, het ene dak is het andere niet!, schreeuwt de regen