de adder

Kond' gij het niet verhoeden dat de adder in dit gras
vol malse kruiden en klavers op mij te gebroeden lag?
Waar heeft men dez' tijd nog vrienden voor wanneer zij
mij niet hoeden voor een noodlot dat zó toe kan slaan?
En dat zij mij konden aan zien gaan of toch bevroeden?

Welaan, ik heb een oude les geleerd die mij als kleine
zittenblijver welhaast een ezel doet gelijken die zich
steevast in 't gras vergist en vrees'lijke pijnen lijdt.
Ik had moeten gissen dat 't úw dreigend sissen was
- van de vriend die ik aan mijn borst gekoesterd hield.